De mystiek van het fietsen
West-Vlaamse stemmen over de koers
© Paul Rigolle
In het gezegende jaar 1991 bezorgde ik samen met Patrick Cornillie in opdracht van de Torhoutse uitgeverij deBeer het boek Vélo-Dromen, een bloemlezing van het wielrennen in de Nederlandse Literatuur.
Intussen zijn we ruim drie decennia verder en de wereld is sindsdien van aangezicht veranderd. Zeker ook de wereld van het wielrennen én zonder twijfel ook de wereld van de literatuur. In die drie voorbije decennia verschenen tal van wielerpublicaties. Wie regelmatig de gespecialiseerde wielerboekensites of wielerruilbeurzen bezoekt weet dat de publicatiedrift van schrijvers en uitgeverijen elke week voor een niet te stelpen toevloed aan wielerboeken zorgt. Ze verschijnen in alle vormen en formaten. Van kubus-tot bulkboeken, van koffietafel- tot pocketboeken. Hagiografieën, ongenuanceerde lofbetuigingen, biografieën, fotoboeken, chromoverzamelingen, jongens- en citatenboeken … noem het maar. Het wordt allemaal gepubliceerd, het ziet alles het gedrukte daglicht. En het mag! Jazeker, mag het. Van titels als De jonge jaren van een lefgozer (over Remco Evenepoel) over kortweg Sep, De midlife cyclist, de ereronde van de eland, Rugnummers en ingevette benen tot De fiets van Lautrec. En dan hebben we het nog niet over al dan niet wetenschappelijke publicaties over het grote lijden dat wielerfans en schrijvers blijft biologeren zoals dat tevoorschijn treedt in titels als De kunst van het afzien, Afzien voor beginners en Pijn in het peloton.
Of die toevloed in de meeste gevallen ook nog een bijdrage tot de volwaardige literatuur levert is dan weer een andere zaak. Niettemin blijft het een feit dat geen enkele sport in staat is om op een dergelijk intense manier mensen te enthousiasmeren zodat ze er ook nog over gaan lezen. Geen andere sport blijft tot op vandaag zo tot de verbeelding spreken als het wielrennen.
De wielersport zorgde al in haar vroegste bestaansgeschiedenis voor lezers die de verhalen van mannen van stavast als Karel Van Wijnedaele met gulzigheid wisten te verslinden. Zijn boek Het rijke Vlaamsche wielerleven uit 1943 kan daar perfect model voor staan. Maar ook veel ernstiger schrijvers als bijvoorbeeld ene Stijn Streuvels – een van de allereerste fietsers in Vlaanderen trouwens – lieten zich graag inspireren door wat het wielrennen vanaf het allereerste begin aan metaforen te bieden had.
Iets maakt dat schrijvers, dichters en journalisten telkens weer nieuwe pogingen ondernemen om de hand te leggen op wat nu de ware kern van de aantrekkingskracht van de koers uitmaakt. Internationaal gewaardeerde schrijvers als Paul Fournel, Tim Krabbé (De renner!), Bert Wagendorp, Peter Winnen en zelfs een renner-filosoof die vandaag meerijdt in het peloton Guillaume Martin zorgden voor literaire pareltjes…
In dit stuk dat de beperking in zich draagt dat het in het bestek van het Jaarboek voor West-Vlaamse schrijvers vooral een West-Vlaamse insteek moet hebben gaan we graag in op wat de beste West-Vlaamse pennen in de voorbije jaren over de wielersport als de ultieme metafoor van het leven hebben neergeschreven. Een aantal schrijvers en journalisten hebben immers gedurende hun carrière met bravoure en stilistische brille het grensgebied tussen de wielerjournalistiek en de literatuur verkend. Hun teksten overschrijden moeiteloos het doordeweekse kritiekloze scribentenniveau. Een aantal van die mensen laat ik hier heel graag de wielerrevue passeren.
Het feest van list en bedrog
Wie in Vlaanderen (en Nederland) over wielerboeken wil spreken kan onmogelijk voorbij aan de figuur en de persoonlijkheid van Herman Chevrolet (1956). Als auteur van meerdere beklijvende wielerboeken als Het feest van list en bedrog, Land van wielrenners, De flandriens en Briek, zijn boek over Briek Schotte dat in april 2019 zowaar in de Kathedraal van Kanegem werd voorgesteld, mag je in een overzicht dat de link tussen het wielrennen en de literatuur wil leggen zeker deze geboren Tieltenaar niet het oog verliezen.
Twee van zijn boeken werden in Nederland genomineerd voor de Nico Scheepmaker Beker voor het Beste Sportboek. Het wil wat zeggen. In zijn boeken onderzoekt Chevrolet als niet een de vele aspecten van de wielersport. De heroïek en de rijke historie van de sport wordt niet uit de weg gegaan en Chevrolet mijdt met het dopingspook in geen geval de vele olifanten in de wielerkamer. Vanaf Het feest van List en Bedrog werkte Chevrolet met het idee dat wielrennen een vorm van literatuur is waarbij ook fictieve elementen een rol spelen. Het hoefde voor hem niet allemaal heel feitelijk te kloppen. Van toen af ging voor hem het verhaal primeren.
Ook Briek! is daar als boek het perfecte voorbeeld van.
Geboren in het hart van het West-Vlaamse Wielerland in Tielt kreeg Herman Chevrolet die al heel vroeg is uitgeweken naar Amsterdam het wielrennen met de bekende paplepel ingegeven:
Hoe en wanneer mijn passie voor het wielrennen is begonnen weet ik niet te achterhalen. Waarschijnlijk is het zoals bij bijna iedereen die in Vlaanderen is opgegroeid een kwestie van dat het wielrennen zowat overal aanwezig is en men het meeneemt als iets dat een cultuurgebonden onderdeel is van het dagelijkse leven. Mijn eerste echte wielerherinnering ligt in Zwitserland toen de Tour passeerde vlakbij de plek waar we verbleven. Bahamontes reed op kop – het was de Col du Forclaz, die in Zwitserland dus en niet de Franse met dezelfde naam – daarna volgden onder andere Anquetil en Poulidor. Eerlijk gezegd was ik meer onder de indruk van de Michelinmannetjes die voorop reden en allerlei toeren uithaalden op hun motor. Later heb ik geprobeerd te achterhalen wie daar nu in werkelijkheid reed. Er klopte maar weinig van mijn herinnering. Dat was belangrijk want het werd nog maar eens duidelijk dat de werkelijkheid moeilijk te achterhalen is wanneer het over wielrennen gaat. Als je daarover wenst te schrijven is een vorm van verbeelding noodzakelijk.”
Welk van zijn eigen boeken hem nog het meest aan het hart ligt kan Herman Chevrolet vanzelfsprekend moeilijk zeggen. “Wel denk ik dat Briek het best geslaagd is omdat het van al mijn boeken meer op een roman lijkt dan een ander wielerboek. Qua belangrijkheid en impact is Het Feest van List en Bedrog het belangrijkste. Of er in de toekomst nog een nieuw wielerboek komt weet ik niet. Ik heb weliswaar een idee maar ook het gevoel dat ik over wielrennen alles heb geschreven wat ik te schrijven heb. Ik kan alleen maar in herhaling vallen en daar heb ik geen zin in. Wel ben ik bezig aan een ander boek maar daarover kan ik vanwege mijn bijgeloof niets over vertellen – dat is: zeg niets over een boek waaraan je werkt, pas als het af is en dat is wanneer een kaft rond zit en het in de winkel ligt.
Over het verschil tussen literaire boeken en wielerboeken kan Herman Chevrolet zeer kort zijn: je hebt goede boeken en slechte boeken. Punt.
En over de veranderende wielercultuur zegt hij: “het boeiende aan wielrennen is altijd geweest dat het een sport is die boordevol verhalen steekt. In mijn optiek is het wielrennen op zich zelfs een vorm van fictie omdat het in alle opzichten voldoet aan de structuur van een klassiek verhaal. Dat meen ik voldoende te hebben aangeraakt in mijn boek ‘Het Feest van List en Bedrog’. Een goed verhaal heeft echter altijd een schurk nodig. Het moet iets duisters hebben. Dat is op dit moment het probleem: het wielrennen is het verhalende, epische element aan het verliezen. Dat komt wellicht vanwege de steeds wetenschappelijker benadering. Op zich is dat een goede zaak. Er is niets op tegen dat de huidige generatie renners hun vak op een eerlijker manier willen uitoefenen. Dat heeft echter wel zijn consequenties: het wielrennen is daardoor een sport als alle andere geworden. Het noodzakelijke kwaad – de basis voor een goed verhaal – is weggevallen en daardoor wordt het ook minder interessant om er over te schrijven. Een paar renners hard een berg zien oprijden is niet echt boeiend. Wat dat betreft is het hedendaagse wielrennen minder interessant, toch niet op de manier zoals ik het zou willen. Maar ja, het is in alle opzichten eerlijker geworden en daardoor saaier.
Over Protourrenners en kermiscoureurs
Misschien is Patrick Cornillie (°1961) van de hier besproken West-Vlaamse wielerschrijvers nog wel de meest literaire. Niet toevallig debuteerde hij al in 1986 met gedichten.
Na enkele jaren in het onderwijs te hebben gestaan koos hij voor de journalistiek gecombineerd met een literaire carrière als auteur van poëzie, sportboeken en fietsgidsen.
Tot zijn meest literaire wielerboeken kunnen zeer zeker De zeer schone uren van Stijn Streuvels, cyclotoerist (2018), Met de tong op de guidon (2015), De cups van Hanka Kupfernagel (2012) en De meisjes van Crédit Lyonnais (2001) gerekend worden. Maar het was toch vooral zijn boek De Zomer van ’69 uit 2009 dat in wieler- én in literaire kringen hoge ogen gooide. Het boek werd tot grote vreugde van Cornillie ook verfilmd in een documentaire van 105’ .
In 2010 en in 2016 verschenen twee van zijn dagboeken onder de titels Vuile venten op een velo (Dagboek van een Wieltjeszuiger I) en De weg naar Ghisallo (Dagboek van een Wieltjeszuiger II). Bert Bevers, recensent van dienst schreef daarover dat Cornillie met deze dagboeken een heus nieuw genre in het leven had geroepen. Sinds een aantal jaar ligt het accent bij de Lichterveldenaar vooral op het schrijven van erg degelijke fiets- en knooppuntergidsen. Plannen voor nieuwe boeken heeft hij altijd wel maar over dingen die nog niet geschreven zijn heeft hij het liever niet.
Over literaire en sportieve auteurs die de literaire kwaliteit benaderen stelt Cornillie onomwonden dat er op het vlak van de sportschrijverij twee soorten auteurs bestaan: ‘Net zoals je over renners kunt spreken van ‘protourrenners’ en ‘kermiscoureurs’ kun je dat ook doen over de schrijvers die de sport en het wielrennen tot hun domein hebben gemaakt.
De protour-categorie benadert moeiteloos de literaire kwaliteit. Mensen als Jan Boesman, Peter Ouwerkerk en Benjo Maso. De categorie van de kermiscoureurs zijn zij die verantwoordelijk zijn voor haastig bijeen geflanste biografieën en hagiografieën. Daar zijn er helaas te veel van. Maar tja, wat is ook dat literaire kwaliteit? Een echt makkelijke evenwichtsoefening is het niet om dat te gaan bepalen.’
Cornillie vermeldt zelf graag als scharniermoment voor het ogenblik waarop de wielerliteratuur voor hem echt volwassen is geworden het verschijnen van de eerste publicaties van Rik Vanwalleghem: ‘Diens eerste boeken over de Ronde van Vlaanderen (1991) en over Merckx, de Mens achter de
Kannibaal (1994) krikten het niveau van het wielerschrijven heel erg naar boven. De lat lag na decennia van eerder hagiografische rennersboeken ineens waar ze moest liggen: hoog! Toen is ook langzaam het besef gegroeid dat de wielerliteratuur een versnelling hoger moest gaan rijden. Voordien keken gevestigde auteurs nogal neer op wielerboeken. En ook de wetenschappelijke historici die eerder de neiging vertoonden om nogal laatdunkend lacherig te doen over de volkscultuur van het wielrennen kwamen tot inkeer. Dat mede door het gedegen werk van mensen als Dries Van Ysacker en Dries Dezaeytijd, historici en pure West-Vlamingen. Zelf heb ik in mijn boeken over Sylveer Maes en Marcel Kint altijd geprobeerd om ook vooral oog te hebben voor de historische context waarin die mannen moesten gesitueerd worden. Elk boek moet ook een tijdsdocument zijn. Eigenlijk probeer ik te schrijven voor Jan met de wielerpet. En vooral ook helder schrijven vind ik daarbij belangrijk.
Vanwaar bij Cornillie die eeuwige wieler- en fietsliefde vandaan komt weet hij zelf niet zo goed meer. Het begon net als bij zoveel jonge jongens (en meisjes) in zijn jeugd met het verzamelen van wielerprentjes. Ook de tourgazetjes van de krant Het Volk deden hun werk. Later kwam daar op het middelbare ook de liefde voor literatuur bij die werd wakker gemaakt door zijn Torhoutse normaalschool-leraars Roger Verkarre en Joris Denoo.
Welk boek zou Patrick Cornillie meenemen naar het einde van de wereld? Het eerste wat in mijn hoofd opkomt is een kwaliteitsboek over Parijs-Roubaix. Voor mij is en blijft dat het échte authentieke wielrennen. Het boek dat dat door de redactie van L’équipe is gemaakt bijvoorbeeld. Het is een volmaakte synthese van wat een goed wielerboek moet zijn: de symbiose van historiek, poëzie en heroïek…
Of neen, doe mij uiteindelijk toch maar ‘De filosofie van de heuvel’ van Ilja Leonard Pfeijffer. Het is niet echt een wielerboek maar een boek over fietsen… Maar wel schitterend geschreven…
Blikopener op de menselijke ziel
Een andere naam waar je niet buiten kunt als je het over het betere wielerboek wil hebben is die van Bruggeling Rik Vanwalleghem (°1952). Zijn staat van verdienste is lang en gevarieerd. Hoewel opgeleid als bioloog werkte hij aanvankelijk jaren als wielerjournalist, was even op een blauwe maandag communicatieverantwoordelijke voor de wielerploeg Domo-Farm Frites, werd directeur van het Centrum van de Ronde van Vlaanderen en schreef verschillende wielerboeken en columns.
Het is onbegonnen werk om hier stil te staan bij al zijn publicaties. Maar wat wel gezegd kan worden is dat al zijn boeken diepgaande en erg goedgeschreven boeken zijn. Het schrijftalent van Rik Vanwalleghem zocht later ook andere uitwegen die resulteerden in boeken die je resoluut tot de literatuur mag rekenen: De Amerikaanse ziel, Drijfzand (De strijd van een tienermeisje tegen MS), België Absurdistan en Op drift (een ‘vuile’ thriller!)
Zijn meest recente boek De tien geboden van José De Cauwer uit 2023 waarmee hij ook samen met José en met muziek van Geert Vandenbon in de zalen kwam haalde inmiddels al een 8° druk.
Je hebt biologie gestudeerd. Dat lijkt mij niet meteen de geijkte weg voor een schrijver en journalist?
Nee, ik sta al mijn hele leven versteld van wat de wegen van het toeval met mensen doen. Na mijn studies heb ik een jaar of vijf gewerkt voor de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Zo kwam ik onder meer op de Kemmelberg en de Paddestraat terecht om rapporten te maken voor de Commisie. Nooit gedacht dat ik daar later, op die plaatsen ooit nog zou komen als wielerjournalist.
Maar zo werkt het toeval dus! Nadat ik het zowat bekeken had bij de overheid kon ik bij toeval deelnemen aan een examen voor beroepsjournalist bij het Nieuwsblad. En ik werd zowaar aangenomen! Toch vreemd hé. Ik heb voor mijn toekomst zelf nooit enig plan gehad. Plots komt iets op jouw pad en ga je merken: tiens, dat is mijn eigen pad.
De vraag die Joris Jacobs, chef-sport van het Nieuwsblad, mij in eerste instantie stelde was: ‘én Vanwalleghem heb jij het Heilig Vuur?’ Toen ben ik hem spontaan beginnen vertellen over die ogenblikken dat ik als tiener in Wevelgem, mijn geboortedorp, over de muur van de kleuterschool klauterde om de renners van Gent-Wevelgem te kunnen zien. Hoe fascinerend was dat! Ik kon er, stel je voor, Peter Post zien. Voor mij was dat pure magie. Na mijn verhaal zei Jacobs: ‘Vanwalleghem gij zult wielerjournalist worden!’ En het wereldje van de coureurs is mij mijn hele leven blijven fascineren. Al geef ik ook wel toe dat zo’n krant toch ook voor veel “plaisir de se voir imprimé” zorgt. En zo is het dus: uiteindelijk kan de functie ook de mens creëren.
Ik heb de koers altijd als zeer intrigerend ervaren. Iets tussen fictie en non-fictie in. Meer en meer is die wereld van dat wielrennen ook mijn ding geworden. Het is ook biologie hé. Wetmatigheid, struggle for life. Als jij achterblijft trekt de karavaan onverbiddellijk verder. Niets is fake maar toch blijft het mysterieus. Je vindt er eigenschappen in terug die goed van pas komen in het dagelijks leven: loyauteit, moed, doorzettingsvermogen… Wielrennen is een fantastische metafoor voor het leven, een blikopener op de menselijke ziel.
Hét kernwoord van de koers is wat mij betreft het woord ‘écht’. Da’s ook wat mij zo is opgevallen toen ik José de Cauwer heb leren kennen… Die echtheid. Je kon met hem over van alles babbelen, ook over de dingen van het leven met een volksfilosofisch brede kijk. Hij kent het wielrennen door en door. Hij is coureur geweest, ploegleider, coach, commentator… Je kunt hem niets meer wijsmaken. Vandaar is in de voorbije jaren het idee gegroeid om samen een boek te maken. Dat is mijn recentste boek geworden “De tien geboden van José de Cauwer”. Dat zijn de tien handvaten die hij in al die lange jaren opgepikt heeft in de koers maar die bruikbaar zijn in het leven van jan en klein pierke. En van alleman. De Cauwer is ook een gelouterd man. Ooit zat hij volledig aan de grond omdat hij zelf zijn renners wilde uitbetalen toen François Lambert dat niet meer deed. José houdt van jonge mensen. Hij begeestert ze ook. En af en toe is hij bijzonder emotioneel. Als hij over zijn vader spreekt van meer dan honderd herhaalt hij met de tranen in de ogen diens motto: ‘Vooruit is de weg. Er is geen andere.’ Ik ben erg blij dat het boek zo’n enorm succes geworden is.
Of Rik Vanwalleghem achteraf gezien niet nog meer fictie had willen schrijven?
Ja eigenlijk wel. Het is een mooi gegeven wanneer een verhaal plots met jou aan de haal gaat. Er komt soms plots iemand de kamer binnen en je vraagt hem wat hij komt doen… Blijkt dat die fictieve figuur doodleuk zegt: jamaar ik wil ook meedoen, ik wil ook een plaats in het boek… Wielerboeken zal ik wellicht niet meer schrijven, neen. Maar wel een roman waaraan ik nu koortsig aan het werken ben. Het boek is gebaseerd op de levensechte ervaringen en de dagboekjes van mijn grootvader die in Wereldeerlog 1 moest mee terugtrekken met het Belgisch leger tot in Brugge. En ook een paar jaar in Draguignan voor de post werkte… Het boek zal, dat wil ik nu al wel verklappen, ‘Albert en Marie’ gaan heten… Maar het probleem is dat iemand me ’s een concrete deadline zou moeten geven. Enfin, in elk geval wil ik dat boek zeker nog schrijven voor “ik hier mijn lepel wegsmijt”.
Vier moet branden
Herman Laitem (°1948), geboren in Roeselare, is een andere wielerauteur die een voornaam plaatsje verdient in elke wielerbibliotheek. Laitem was docent, is gehuwd met de kleindochter van de broer van de eerste Belgische tourwinnaar Odiel Defraeye en schreef, al jong gebeten door het wielervirus, een tiental boeken waarvan zijn bekendste die over Odiel Defraeye, Wielrennen in Limburg en De tricolore trui zijn.
Een bekende quote van Herman Laitem blijft: Een tourrit is een metafoor voor het leven. Gevraagd naar zijn mérites als wielerauteur liet hij ons een mooie brief geworden met als alleszeggende titel ‘De woordencoureur’:
De woordencoureur
Vliermaal, zomer 2024
Toen mijn Limburgse moeder in de jaren dertig van de vorige eeuw verkaste naar Roeselare, ruilde zij het land van de wangen in voor dat van de handen. De beeldspraak is van Luuk Gruwez die ooit de omgekeerde stap zette.
Ze kwam er terecht in een taal die ze niet begreep, maar ook in een drive die niet meteen in de Noord-Limburgse lucht zat.
West-Vlaanderen ademde aanpakken, doorzetten, geld en commercie, wortels aan een stok die leidde naar sociale standing. De lucht was er vol van.
Op school in het Klein Seminarie kon je er niet naast kijken, als je de dreef binnenstapte. ‘Vier moet branden’ stond er op de sokkel van pater Lievens, missionaris die het opnam voor de paria’s in India. Voor lauwheid of smeulend vuur was er geen plaats.
Wij waren de intellectuele voorhoede, werd ons ingeprent, waar lichaam en geest elkaar in balans moesten houden, vandaar ook een focus op sport.
Die vertaalde zich in atletiek, gymnastiek, voetbal en basketbal. (Knack Roeselare is er een product van). Koers hoorde daar niet bij. Je kon het niet organiseren binnen de muren van de school en het had een nogal ruw, plebs imago. Schuimbekkende renners op de weg, zatte supporters aan de kant.
Ook thuis had moeder er geen oren naar. Dus trok ik sportief naar atletiek wegens meetbaar en individueel. Geen discussie met een jury, niet afhankelijk van de beslissing van een buitenstaander. Progressie was meetbaar, vormpeil sprak in lint- en chronometers. Ik was er bovendien erg goed in, want nationale top in de jeugdreeksen. Toch bleef koers in de achtergrond present dankzij streekiconen Benoni Beheyt en Gilbert Desmet.
Ondertussen waren knikkers het surrogaat voor een sport die we niet ter plekke konden beleven en evenmin zien op teevee. We schrijven 1960. De ‘marbels’ stoffeerden de verbeelding en kleurden de Ronde van Frankrijk, in afwachting van het Tourkrantje in de vooravond. Namen als Junkermann, Pambianco, Maliepaard, Brankart of Adriaenssens, ze dartelen nog in mijn hoofd.
Koers bleek ook een doorslag van het katholieke verhaal dat ons was ingelepeld, want christelijker kon een sport niet zijn. Met helden en Judassen, hemel en Golgotha, kopman en apostelen, vallen en opstaan, zonde en vergiffenis.
Toen studies universitair werden loste sport de rol. Dromen reikten niet meer tot aan de hemel, maar kregen een wonderlijk vervolg.
Op zaterdag 19 juli 1969 trouwde ik Kristien Defraeye. Haar grootoom bleek zowaar de eerste Belg die de Tour won, maar dat was mij toen nog onbekend. Het zou me later de kans geven om te topsporten middels het woord, met mijn studies Germaanse als brandstof. Waarom niet zijn verhaal te boek stellen nu de familieverhalen er nog waren.
Het toeval was trouwens te dwingend om accidenteel te zijn. Op de dag dat we trouwden werd exact vijftig jaar geleden de eerste gele trui uitgereikt in de Tour. Op zondag won Eddy Merckx zijn eerste Tour de France. En in de nacht van zon- op maandag landde de eerste mens op de maan. Toeval wordt afgedwongen zei Johan Cruyff.
Zo werd ik woordencoureur. Ik sprong op elk woord dat demarreerde, elke zin die een vlucht opzette. Ik haalde ze terug, riep ze tot de orde, reed ze desnoods in het verlies. Kopman en knecht tegelijk, titaan en illusionist. Zo droomde ik mezelf een monument op de Elyseese sportvelden.
Niet als vertolker van heiligenlevens, maar als portretschilder van een socio-sportieve wereld, die deel uitmaakte van het culturele erfgoed van Vlaanderen. Dankzij de zege van Defraeye kwam er een landelijke sportkrant en een groeiend zelfbewustzijn. Ontstond er een sportpers (aanvankelijk vol pathetiek), die een halve eeuw later niveau haalde dankzij Jan Wauters, Joris Jacobs, Robert Janssens, Rik Van Walleghem (en uitgever Geert Vandenbon) en veel anderen.
Alleen het literaire front bleef achter. Bij ons geen Tim Krabbé. Evenmin een Benjo Maso, die op voorbeeldige wijze de sociologie van de wielersport populariseerde.
De nood aan een museum was een volgende stap, waar ik met vallen en opstaan de schouders onder zette. Roeselare en zijn burgemeester, nochtans minister van cultuur, bleven lange tijd op de rem staan om hun sportieve uithangborden (Vanhauwaert, Vandenberghe, Defraeye, Martin, Ollivier, Sercu, Beheyt, Monseré, …) te gebruiken voor stadsmarketing, om koers uit te bouwen tot een nationaal verhaal.
Vandaag is de cirkel behoorlijk rond. Het museum is er, de jongen van ooit heeft zijn ei gelegd, Odiel heeft zijn standbeeld gekregen (met ware dank aan Dirk Lievens) en het ‘vier’ blijft nog steeds branden, al heeft dat ondertussen plaats gemaakt voor literatuur, cultuur en natuur, want een mens leeft niet van koers alleen.
herman
Meereizen met het circus
Al even kritisch en vol randbemerkingen over het verschijnsel wielrennen als Herman Chevrolet is het werk van columnist, opiniemaker, docent en journalist Hans Vandeweghe (°1958). Ook Vandeweghe, geboren in Gent maar al dertig jaar Hertsbergenaar, schreef verschillende boeken waarin hij op een zeer lucide en kritische manier sport en de bredere maatschappelijke context onderzoekt. Hij schreef voor Knack en Humo, voor De Morgen en De Standaard, voor Vlaanderen en voor Nederland. Wekelijks nog schrijft hij, begiftigd met een knapperige scherpe pen, voor De Morgen columns waarvoor hij regelmatig het predicaat berucht krijgt opgekleefd. Het raakt hem niet. Vandeweghe zit nooit verlegen om een duidelijke mening of een statement. Op een blauwe maandag was hij even directeur van Wielerbond Vlaanderen. Dat duurde niet heel lang en op zijn website schrijft hij onder de hoofding ‘It’s more fun to be a pirate, than to join the navy’ onder meer ook ‘Ex-bobo and proud to be’. Wellicht is zijn bekendste boek het ophefmakende Wie gelooft die coureurs nog? (uit 2013). In zijn laatste Laster en eerroof (uit 2021) bracht hij bij wijze van testament zijn columns samen.
Of hij zichzelf enige literaire verdienste wil toemeten?
Goh nee, zegt Hans Vandeweghe, wat ik schrijf kun je moeilijk tot de literatuur rekenen vind ik. Ik volgde en volg graag veel sporten. En zo kritisch mogelijk uiteraard. Wel meer nu als columnist. Voordien vooral als journalist. En ik schrijf er graag over. Het volgen van het wielrennen is er vooral gekomen toen ik voor Sport International werkte. Ik was er hoofd van de redactie. In de jaren 90 zocht men daar iemand om de prangende Epo-problematiek op te volgen. Er was niet onmiddellijk iemand en dus heb ik dat dan maar gedaan…
Ik heb inderdaad heel veel sporten gevolgd. En nog. Maar misschien is het wel waar dat wielrennen de meest lyrische is van alle sporten. Of beter: de meeste verhalende van alle sporten. Maar tezelfdertijd is het ook wel de meest verraderlijke. Voor je het weet raak je, als je veel over wielrennen gaat schrijven en vaak onderduikt in het wielermilieu veel te nauw betrokken bij het wereldje. Als je mensen van nabij leert kennen ga er zelfs veel meer begrip voor opbrengen. En vanuit de andere richting gaat men geloven dat je zelf een medespeler bent in hun eigen gesloten milieu. Alsof je met hen gaat meereizen met het circus. Da’s gevaarlijk als je ten allen tijde jouw eigen integriteit wilt bewaken. Het gevaar voor besmetting is best wel reëel.
Zelf fietsen blijf ik nog altijd graag doen. Ik heb zelfs ooit een Ironman-triatlon afgewerkt. Ja, ik heb wel wat omzwervingen achter de rug. Ik was ooit twee jaar directeur communicatie bij het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité en werkte toen samen met onder meer Jacques Rogge. Over en met Rogge schreef ik samen met Alain Lunzenfichter van L’Équipe de geautoriseerde biografie met als titel ‘Pour la beauté du sport’. Deze werd onder meer vertaald in het Chinees en Portugees. En van 2011 tot 2014 werkte ik als algemeen directeur van Wielerbond Vlaanderen. Maar dat avontuur noopt mij intussen wel tot de zinsnede die ik met opgeheven hoofd op mijn website heb geplaatst: ‘Ex-bobo and proud to be’.
Of Hans Vandeweghe na Laster en eerroof nog een nieuw boek in voorbereiding heeft of van plan is om dat te schrijven?
Nee, voorlopig niet. Ik ga me nu vooral blijven concentreren op mijn columns vor de Morgen en wil graag wat meer gaan reizen. De passie is even weg. Maar die komt wel terug.
Of hij dan niet graag schrijft? Toch wel, schrijven doe ik wel graag, werken iets minder… (lacht)
Welke wielerboeken in al die voorbije decennia indruk op hem maakten? Het boek van ex-renner David Millar ‘Koersen in het duister’ is heel merkwaardig. Ik wil het iedereen aanraden. En een dunner boekje van iemand die ik goed heb leren kennen en een vriend geworden is, ook al een ex-renner Allan Peiper, apprecieer ik heel erg. ‘A Peiper’s tale ’s’. Iemand zou dat dringend ’s moeten vertalen. Allan Peiper vertelt daarin hoe hij teruggaat naar zijn geboorteland Australië om… zijn vader te vermoorden.
Velerlei stemmen in het wielerbos
Hoewel het een onmogelijke zaak is om hier binnen het opzet een volledig beeld te schetsen van de West-Vlaamse pennen en stemmen in de Wielerliteratuur mogen een aantal andere namen niet ontbreken. Manu Adriaens leverde met Zot van de koers een zeer lezenswaardig en behapbaar boekje met korte stukjes wielerverhalen af. Vrt-journalist Renaat Schotte zette zichzelf met zijn Wielerman in het schrijverspeloton. Stijn Vanderhaeghe is een andere West-Vlaming die lezenswaardige wielerboeken schrijft. Al in 1997 schreef Wim Chielens met Aankomst maken een volkse wielerroman over ene Rik Desmet – ooit profwielrenner in de tijd van Kelly, Rooks en Lemond – waarmee het uiteindelijk niet al te florissant afloopt. Dries Dezaeytijd en Dries Vanysacker publiceren zoals hiervoor al vermeld zeer verdienstelijk historisch wielerwerk. Zelfs de voorzitter van deze eigenste VWS Koen D’haene schreef samen met Rik Vanwalleghem en Rudy Neve mee aan het huldeboek Gent-Wevelgem 75. D’haene koos ‘Saint Velo’, de informele naam voor het volksfeest aan ‘de mete’ op de aankomstdag van Gent-Wevelgem, overigens ook als achtergrond voor een educatief kinderboek Groeten aan Peter (Sagan). In het boekje krijgen zijn koerscompanen Rudy Neve en Rik Vanwalleghem een kleurrijke figurantenrol.
Het dameswielrennen is in het voorbije decennium helemaal tot ontbolstering gekomen. Tot dusver heeft dat evenwel nog niet geleid tot heel veel vrouwelijke auteurs van West-Vlaamse origine. De Tieltse auteur Ann De Craemer is een van de uitzonderingen. Ze leverde in de zomer van 2012 met De seingever een verdienstelijk portret af van een man die de veiligheid tijdens de koers moet waarborgen. Samen met wieler-vrt-coryfee Michel Wuyts bezorgde ze in oktober 2018 ook nog het Groot Vlaams Wielerwoordenboek.
Talloos zijn ook de dichters die zich door de wielersport lieten inspireren. De een al beter en boeiender dan de andere. Lofredes, tifosi-gedichten maar ook zeer doorvoelde aan de kern rakende gedichten zagen het papier.
De Nederlander Jan Kal was op poëtisch vlak een baanbreker. Al in zijn debuut uit 1974 Fietsen op de Mont Ventoux verzamelde hij aardige wielersonnetten. Veel dichters volgden in zijn spoor. In de beginjaren van zijn literaire carrière gaf Tom Lanoye in eigen beheer het bundeltje Gent-Wevelgem uit. Nu een collectors-item. Maar ook een flink aantal West-Vlaamse dichters werden regelmatig zeer geïnspireerd door koers en coureurs.
In de periode 2010-2014 was Frank Pollet de initiatiefnemer van Geelzucht. Pollet verzamelde in dat project een aantal kompanen rond zich met wie hij volgens beurtrol elke dag van de Tour de France van een poëtische reflectie voorzag. Daarbij waren ook vanmeetafaan de West-Vlaamse dichters Patrick Cornillie, Sylvie Marie en ook ondergetekende betrokken. Roeselare-naar Pascal Delheye bezorgde mee de bloemlezing Winnaars en Verliezers.
Andere West-Vlamingen die met mooie bladzijden wielerproza of gedichten vermeld mogen worden zijn Luuk Gruwez, Philippe Cailliau, Eddy D’Haenens, Henrik Carette en Sylvie Marie.
Het bestaan van al die mooie wielergedichten vormde voor Patrick Cornillie de aanleiding om in 2014 zijn bloemlezing De 100 mooiste wielergedichten te publiceren. Het boek kreeg in 2024 een derde druk.
Het wielrennen is in de loop van de jaren fel van uitzicht veranderd. De sociale media en allerhande podcasts maken dat de sport nog toegankelijker en bereikbaarder is geworden voor iedereen. Iedereen heeft wel een mening. Renners en wielerteams verzorgen meer en meer hun eigen publiciteit. De klassieke media zijn veel meer aangewezen op de info die ze van binnenuit krijgen. En toch, toch is de metafoor van de koers die voor het hele leven staat nog lang niet opgebrand. Ondanks de grotere zichtbaarheid blijft de verbeelding die het wielrennen met zich meebrengt door onze hoofden spoken. Van onttovering is nog lang geen sprake. Nog steeds zorgen de beste pennen voor het wonder van het fietsen.
Ook de Brugse dichter en filosoof Antoon Van den Braembussche laat zich niet pramen als het over fietsen en wielrennen gaat. Onderstaand gedicht van hem leest als een mooie ode die zijn én onze fascinatie voor het fietsen en het wielrennen perfect samenvat.
Fietsen
Als ik fiets overmant me
een vreemd soort geluk.
Elke omwenteling:
een omhelzing van de tijd,
van wat er ooit is geweest
en van wat er ooit zal zijn.
En soms is er enkel nog het nu:
een blij en eeuwig vergeten,
een ode aan de vergetelheid.
Ik hou van lange, rechte wegen
de blik helder en gefixeerd,
wonderlijke vorm van meditatie.
Als ik fiets ben ik niet langer
een kleine ik, maar alles en iedereen.
Elke trap een ode
aan het lichaam, de liefde,
de beweging en alles om ons heen.
Fietsen is pure mystiek.